Gaan kaarten en een bordspel met elkaar samen? Ja, in Phase 10 is het mogelijk. Een origineel en leuk spel zoals je het nog niet eerder gezien hebt. Om erachter te komen of die combinatie wat voor jou is, moet je snel verder lezen!
Phase 10 was er al eerder in de vorm van een kaartspel, nu krijgen deze kaarten er een spelbord bij. Nooit eerder heb je zo origineel een bordspel gespeeld met kaarten. Toch vergt het een nog een stukje tactiek om te winnen, want dat wil je uiteraard.
Type: bordspel
Aantal spelers: 2-6
Leeftijd: vanaf 10 jaar
Duur: ca. 60 min.
Uitgever: Ravensburger
Uitbreiding:n.v.t.
Huidige adviesprijs: € 30,-
Snel starten dankzij prettige handleiding
Phase 10 kun je met twee tot zes spelers spelen. Hoewel je op het eerste oog denkt dat het er knap ingewikkeld uitziet: kaarten, een speelbord, dobbelstenen en meer, biedt de handleiding toch een goede uitkomst. Het is prachtig om te zien hoe deze in diverse talen geschreven is. Bovendien weet je na het lezen van slechts drie pagina’s al hoe het werkt en dan kan de pret beginnen.
Hoe een beurt verloopt
In Phase 10 moet je diverse fases doorlopen. Er zijn er tien en zodra je daarna het einde bereikt, heb je gewonnen. Hoewel er tien fases zijn en je op chronologische wijze de fases moet doorlopen, is het niet zo dat je per se alle fases moet doorlopen. Als je goed speelt, zul je een fase overslaan, wat dus automatisch inhoudt dat je voorloopt op de rest van de spelers. Precies de tactiek dus om te winnen. Waar het allemaal mee begint zijn de beurten van de spelers. Hoewel de uitkomst elke keer anders is, ziet elke beurt van een speler er steeds als volgt uit:
- Stap 1: Een speler gooit met beide dobbelstenen, kiest één van deze dobbelstenen en voert een actie uit.
- Stap2: Afhankelijk welke actie is ondernomen kan wellicht een fase uitgelegd worden.
- Stap 3: De speler moet een kaart afleggen op de aflegstapel.

Fases doorlopen en acties uitvoeren
Kaarten staan dus centraal in dit bordspel. Er zijn kaarten met daarop getallen van 1 tot en met 12 en in vier verschillende kleuren. Voordat je begint met spelen krijgt iedere speler 10 kaarten in de hand en op het spelbord komen twee stapels te liggen: een aflegstapel en een trekstapel. Het speelbord kent twee delen, de binnenste ring zijn de fases waar je aangeeft hoe ver je bent, dus in welke fase je je bevindt. Op die manier heeft iedereen het overzicht. Maar om die fases te kunnen voltooien is de buitenste ring het belangrijkste. Dit zijn de vakjes waar je heen loopt, afhankelijk van wat je met de dobbelsteen gooit en waar je heen wilt. In totaal zijn er 8 verschillende vakken waar je op terecht kan komen, per keer bekijk je wat jou het beste uitkomt. We geven twee voorbeelden van mogelijke acties:
- Voorbeeld 1 (+1): De speler neemt de gehele aftrekstapel en zoekt een willekeurige kaart uit die hij in de hand neemt zonder aan zijn medespeler te laten zien. Vervolgens legt hij de aflegstapel weer in het midden van het spelbord terug (zonder de volgorde van de resterende kaarten veranderd te hebben).
- Voorbeeld 2 (+ *) : De speler neemt de bovenste kaart van de trekstapel. Hij bekijkt hem kort en steekt hem dan omgekeerd tussen zijn handkaarten zodat hij dus de achterkant ziet (en de andere spelers de voorkant). Deze omgekeerde kaart geldt nu als Joker, ofwel hij mag hem als elk willekeurig getal of kleur inzetten.
Wat voor actie je uitvoert is dus afhankelijk van wat je nodig hebt. De tien fases die doorlopen moeten worden (tenzij je een of meer overslaat) zijn verschillend en beginnen makkelijk, maar lopen qua moeilijkheid steeds op. Dit siert het spel enorm, het blijft van a tot z uitdagend. Fase 1 is een peulenschil: 5 kaarten van één kleur en een reeks moet je vormen. Een reeks is drie of meer kaarten waarop getallen staan die meteen op elkaar aansluiten, vergelijkbaar met Rummikub. Met een beetje geluk heb je meteen al 5 kaarten in de hand van dezelfde kleur bij het begin van het spelen. Fase 4 is alweer iets moeilijker, daar heb je 2 reeksen van 4 nodig.
Leuk, ook nog kritiek?
Je hoeft nooit bang te zijn dat je niet weet wat je doen moet, de 10 fasen zelf staan ook kort en duidelijk uitgelegd op een aparte kaart, ideaal dus. Maar het vergt wat puzzel- en nadenkwerk. Stap 2, een fase uitleggen, mag je alleen maar doen als je ook een complete fase in de hand hebt liggen. Een deel spelen is dus geen optie. Bovendien kun je na de eerste keer ook kaarten aanleggen, iets dat we gewend zijn van Rummikub. Weet je zoiets goed te voltooien, krijgt een speler een beloning, namelijk het overslaan van een fase! Het kan dus zijn dat jij het spel wint door maar 8 fases van de 10 gespeeld te hebben. Qua fases heeft het een klein beetje weg van Rummikub, sets maken, maar ook kaarten van dezelfde kleur en sets maken behoren tot de opties. De variatie is in ieder geval groot. Het maakt Phase 10 een leuk spel met eigenlijk maar één minpunt: geluk. De dobbelstenen en de kaarten zijn alles bepalend, waardoor je zelf maar een deel in de hand hebt. Een groter nadeel is de ruimte die je nodig hebt, niet alleen het speelbord moet op een tafel passen, ook alle kaarten die gespeeld worden. Met een klein tafeltje red je het dus niet, houd daar rekening mee of ga desnoods op de grond zitten.

Zeker een aanradertje
Al met al is Phase 10 een erg origineel bordspel. Het combineren van kaarten met een bordspel hebben we nog niet eerder gezien in andere spellen. Het spel is leuk om te doen met zes spelers maximaal en het is ook iets dat je een paar keer achter elkaar kunt spelen. Per keer duurt het ongeveer 60 minuten en iedere keer zul je weer andere kaarten hebben en dus een andere aanpak hanteren. Natuurlijk, wat je gooit en welke kaarten je krijgt, hangt allemaal samen met geluk. Maar dit betekent niet dat dit de pret mag drukken of dat je helemaal niet meer hoeft na te denken. Zeker een aanradertje dus!
Cijfer: 8.5